11 mrt 2014

Bereikbaarheid en leefbaarheid moeten hand in hand gaan

De Morgen - Opinie - 11 maart 2014 Reactie op architect Beel in het mobiliteitsdebat voor Vlaamse stedenStéphane Beel pleit ervoor om te stoppen met stadscentra autovrij te maken (DM 10/3). Dit is volgens hem gemakzuchtig teruggrijpen naar steeds dezelfde geijkte oplossingen. Verrassend want als er de voorbije tientallen jaren één geijkte oplossing is waar in Vlaanderen steeds naar werd teruggegrepen, dan is het wel de auto. Met alle gevolgen van dien. Absurd wordt het wanneer Beel ervoor pleit de slinger terug in het midden te krijgen. Naar het midden? Net alsof de auto zijn dominante positie in onze steden ooit heeft verloren of dat die positie zelfs maar is aangetast.

 

In de periode 2000-2012 is het autogebruik in Gent met 5 procent gestegen (Onderzoek verplaatsingsgedrag 2012). Meer dan 50 procent van de verplaatsingen van Gentenaars gebeurt met de auto. De Gentenaars leggen nu dagelijks 70.000 autoverplaatsingen meer af dan in het jaar 2000. Vijfentwintig jaar geleden waren er in België 4 miljoen voertuigen. Nu zijn er dat al meer dan 7 miljoen. In Gent heeft 90 procent van de gezinnen een wagen. De slinger terug naar het midden? Met de fiscale steun voor bedrijfswagens ondersteunt de federale regering nog steeds het autobezit en -gebruik. De Vlaamse regering investeert vele malen meer in het wegennet dan in het openbaar vervoer.

 

Over wat heeft Beel het dan? Vorige week nog stelden we vast dat Brussel, Antwerpen en Gent in de top 10 van filegevoelige Europese steden staan. We scoren qua files 'beter' dan pakweg Amsterdam, Lyon of Rome. Beel trapt echt wel in de klassieke val als het gaat over mobiliteit. Hij reduceert de discussie tot het wel of niet voor de auto zijn. Maar daar gaat het helemaal niet om. Het gaat over bereikbaarheid en leefbaarheid. Of beter nog over de combinatie van die twee. Beel heeft een punt als hij zegt dat de stad bereikbaar moet zijn. Zeker ook voor de handelaars. Maar die bereikbaarheid mag niet aan één vervoerswijze gebonden zijn.

 

Als Beel dan toch weg wil van de geijkte oplossingen, dan moet hij zich de vraag stellen of de stedelijke diversiteit en dynamiek mogelijk is in steden die de auto niet vooropstellen. Zijn er steden die erin slagen om de bereikbaarheid van de stad te garanderen via andere vervoersmiddelen dan de wagen? Kopenhagen en Groningen kiezen heel duidelijk voor de fiets. Je kunt het toch bezwaarlijk levensloze steden noemen. Bordeaux maakte een enorme sprong voorwaarts op het vlak van openbaar vervoer en bruist als nooit tevoren. De leefbaarheid is er in die steden enorm op vooruitgegaan. Iets wat je niet ziet gebeuren in steden die blindelings blijven kiezen voor de auto.

 

Stéphane Beel vergeet dat jonge gezinnen met kinderen die wegtrekken uit de steden bijna allemaal aangeven dat ze vooral ruimte, rust en groen missen. Veelal hebben ze het niet over parkeerplaatsen of de auto. Of toch, ze geven dikwijls aan dat het autoverkeer fijn stof genereert en dus ongezond is voor hun kinderen. En dan is er ook nog het gevaar op straat. Dat willen ze niet. Veel van de problemen die Beel opsomt zijn eerder het gevolg van een slechte ruimtelijke ordening, eerder dan van het terugdringen van de auto in de stad. Als architect zou hij dat moeten weten.

 

Kwaliteitsvolle autovrije of autoluwe gebieden verhogen de leefbaarheid van de stad. Voorwaarde is dat die ook bereikbaar zijn en dus gaat het er ook om andere vervoersmodi ruimte te geven. In een stad als Gent betekent dit letterlijk vechten voor elke vierkante meter. Om een eigen trambedding te maken, om een fietspad aan te leggen of om een breed, comfortabel voetpad aan te leggen. Het plan om op de plaats van het viaduct dat de auto tot diep in het centrum van Gent brengt een park te realiseren kreeg immens veel steun van Gentenaars. Net omdat zij die er wonen en werken meer leefbaarheid willen. Daar niet voor kiezen zou pas gemakzuchtig zijn.

 

FILIP WATTEEUW

© 2014 De Persgroep Publishing - De Morgen